Gentrificatie en de rol van de creatieven / Paul Breteler

Gentrificatie en de rol van de creatieven

Gedurende een groot deel van de twintigste eeuw was de leegstroom van grote steden een probleem. Mensen met geld verhuisden naar rustige wijken buiten de stad of trokken de natuur in. Dit fenomeen kon de ondergang van de stad betekenen, maar dat bleek toch mee te vallen. Rond het begin van de jaren ’70 kreeg het leven in de stad weer wat meer prestige, met name onder artiesten, kunstenaars en hoger opgeleiden. Dit waren creatievelingen die het stedelijk leven aantrekkelijk vonden en de steden weer uit de greppel trokken. De term gentrificatie was geboren en sindsdien heeft het altijd een grote rol gespeeld in het ruimtelijke debat. Je zou kunnen zeggen dat deze groep creatieven ‘de stad’ heeft gered. Maar wie zijn deze creatievelingen en waar komen zij vandaan? Dit essay richt zich op creatieve groeperingen vanaf de 19e eeuw en de rol die zij speelden in de kunst, de economie en de stedelijke ontwikkeling.

Gentrificatie

Gentrificatie is een algemene term voor de verhuizing van welgestelde mensen naar een bestaande stedelijke buurt, een gerelateerde stijging in de huurprijzen en vastgoedwaarden en een verandering in het karakter en de cultuur van de wijk. De term heeft een negatieve ondertoon gekregen omdat het vaak in verband wordt gebracht met het wegjagen van mindergestelden uit hun eigen wijk, maar de effecten van gentrificatie zijn complex en soms ook tegenstrijdig.

Desondanks zijn er veranderingen te noemen die vaak plaatsvinden. Grote laagverdienende families maken plaats voor jonge singles en stellen, huis- en huurprijzen gaan omhoog, het aanwezige vastgoed wordt verbouwd naar bijvoorbeeld luxe appartementen, de wijk verliest industriële functies, krijgt meer kantoren, winkels, café’s en restaurants en de nieuwe gebruikers brengen andere karakters en culturen met zich mee, dat weerspiegelt wordt in hun omgeving. Gentrificatie kan dus gezien worden als een soort ‘wijk-upgrade’.

Gentrificatie vindt met name plaats in oude wijken die ‘klaarstaan’ voor verandering. Dit komt door bepaalde kwaliteiten die de wijk aantrekkelijk maakt zoals de bereikbaarheid, de diversiteit en de vitaliteit. Wat ook helpt zijn de lage huren en huisprijzen, met name wanneer het karakteristieke gebouwen zijn. Oude huizen en industriële panden trekken vaak creatievelingen aan die ‘opknappers’ zoeken als investering.

Het is niet zo dat een wijk van de één op de andere dag gegentrificeerd kan zijn. Het is een sneeuwbaleffect: mensen willen pas verhuizen naar een onbekende buurt (met een andere demografie) als ze daar enkele ‘bekende gezichten’ zien. Gentrificatie is dus afhankelijk van early adopters, de harde kern van de creatievelingen.

Bohème

De harde kern van de creatievelingen bestond in de negentiende eeuw uit de bohème.

De bohème is ontstaan in de grote Europese steden, waaronder Parijs, in de lagere klassen van de samenleving. Verarmde kunstenaars, geschoolde maar werkloze jongeren en andere creatievelingen met talent leefden samen in een stedelijk milieu. Allen kwamen ze naar de stad om carrière te maken, maar slaagden er niet in om door te dringen tot de ‘elite’ van de kunsten, politieke of hoge burgerij. Velen vonden werk bij de kranten en tijdschriften, maar leefden desondanks nog steeds in armoede.

Dit milieu trok niet alleen berooide kunstenaars aan, maar ook activisten en politieke verschoppelingen. Het vormde een soort ondergrondse subcultuur. In deze cultuur werden, deels als rebellie, andere onderwerpen aangesneden en behandeld dan in de officiële wereld van de kunsten. Er ontstond radicale en nieuwe artistieke stromingen en er werden ondergrondse politieke bewegingen opgericht. In die tijd was Charles Baudelaire één van de eersten die een direct verband legde tussen kunst en levensstijl. Dit verband is in vrijwel alle 20ste en 21ste eeuwse (sub)culturen altijd aanwezig geweest. Kunst is niet meer een product, maar een uiting van wie je bent. Je bent geen kunstenaar van beroep, je bent een kunstenaar als persoon. De creatieven kregen hiermee een nieuw imago als de moderne kunstenaar: individuen met een opvallende, afwijkende en uitgesproken stijl en levenswijze. Typerend aan de bohème was dat men stijlkenmerken van zowel de volkscultuur als van de elite pakten, vermengden en eigen maakten.

Hierdoor kregen ze ook nog eens een nieuwe culturele rol. Ze waren een symbool van individualiteit en dragers van het experiment. Deze rol bracht de bohème uiteindelijk in staat om meer maatschappelijk gezag te winnen. Haar autonomie verleende ze aan het beroep dat werd gedaan op de publieke zaak.

De bohème kon nu worden gerekend tot de groep intellectuelen, een club van uiteenlopende beroepsgroepen met een maatschappelijke of culturele taak. Pierre Bourdieu omschreef het autonome veld als een veld van samengebrachte intellectuele en artistieke praktijken ontstaan uit politieke, economische en technologische omstandigheden. Met de verdiende en toegekende maatschappelijke rol die de bohème verworven had, ontstond een autonoom veld wat zich staande kon houden naast de officiële wereld van de kunsten.

In de cultuur van de bohème ontstond een nieuwe ideologie: l’art pour l’art. Theophile Gautier stelde hierin dat kunst haar doel en taak alleen aan zichzelf ontleent en niet in dienst zou mogen staan van externe factoren zoals opdrachtgevers of de kunstenaar zelf. Hoewel dit de kunst bepaalde vrijheden gaf, zat er ook een nadeel aan deze ideologie. De kunstenaar werkte niet meer in opdracht van iemand, maar moest zelf op zoek gaan naar afnemers. Kunst komt hierdoor onherroepelijk in de wereld van de commercie terecht. Hierdoor ontstaat het paradox dat de kunst zijn gebruikswaarde (autonoom: kunst voor de kunst) juist ondergeschikt maakt aan haar ruilwaarde. Men zou kunnen stellen dat met het ontstaan van het autonome veld en het betreden van de economische markt de bohème opgerezen is uit de ondergrondse cultuur, maar hierdoor tegelijkertijd verdween. Zoals met elke culturele stroming echter het geval is, komt er altijd een opvolger die verder gaat met de idealen en gedachten van haar voorganger.

Avant-garde

De term avant-garde werd al gebruikt tijdens de Franse Revolutie om vooruitstrevende maatschappelijke tendensen te beschrijven. In 1825 werd de term voor het eerst toegepast op de kunst; hij werd toegeschreven aan kunstenaars die een plaats in de voorhoede van de vooruitgang van het maatschappelijke proces hadden. Waar de bohème uiteindelijk erkend werd als speler in de wereld van de kunsten wordt de avant-garde benoemd tot aanvoerder. De avant-garde ziet zichzelf ook als een voorhoede, een ambivalente culturele elite, die het volk de weg naar de toekomst wijst. Zij dragen hun artistieke en culturele gevoeligheid over iedereen, want in potentie is iedereen artistiek en creatief (deze houding zullen we later in de geschiedenis nog terugzien).

De avant-garde is ontzettend belangrijk geweest voor de cultuurfilosofie, met name na de grote oorlogen. Men wilde alles zo snel mogelijk vergeten en achter zich laten; er was dus een nieuwe cultuur nodig. De moderne avant-gardes (nieuwe zakelijkheid, de futuristen etc.) zorgden hiervoor door de kunsten los te trekken van haar steriele en sacrale rol en nieuwe verbindingen te leggen tussen kunst en techniek. Ze sloten aan op de nieuwe ontwikkelingen in de wetenschap en op de technologische vooruitgang. Hierdoor bevrijdde ze de kunst uit de negentiende eeuwse greep van de toenmalige burgerij en integreerde ze het in de hedendaagse maatschappelijke cultuur. Kunst werd van iedereen. Dit bracht echter ook gevaren met zich mee.

Kulturindustrie

Theodor Adorno was een vriend en leerling van Walter Benjamin. Benjamin legde de nadruk op de nieuwe kansen die de cultuurverspreiding (veroorzaakt door de avant-garde) biedt, met name op het gebied van actieve participatie van bevolkingsgroepen die voorheen werden buitengesloten door de dominante cultuur. Adorno vreesde voor het tegendeel. Hij denkt dat de nieuwe kunsten (lees: media) een gevaar vormen voor het publiek en verwacht dat het hun omvormt tot passieve, volgzame en onkritische consumenten. In zijn ogen wordt cultuur op deze manier gereduceerd tot hapklare kleine cultuurbrokjes. Adorno stelt dat de standaardisering van de culturele producten leidt tot standaardisering van het publiek. Dit is mogelijk door pseudo-individualisering: een zo groot mogelijk publiek bereiken terwijl iedere individu zich persoonlijk aangesproken voelt. De cultuurindustrie schaft hier niet alleen de kunsten mee af, maar tegelijkertijd ook het maatschappelijk conflict. Adorno ziet hierin de dood van de kunsten aangezien de kunst alleen maar kan voortbestaan zolang zij het conflict representeert, iets wat de avant-garde nog wel produceert. Hij maakt een onderscheid tussen hoge en lage cultuur: cultuurindustrie (laag) vs de kunsten van de avant-gardes (hoog).

De omslag in de rol van de kunst

In de jaren zestig vond er een culturele rebellie plaats in Europa en Noord-Amerika. Populaire cultuur (pop culture) ontrok zich aan alle landelijke begrenzingen en is één van de eerste wereldwijd verspreide culturen. De doorbraak hiervan heeft nog een belangrijk gevolg: het onderscheid tussen de hoge en lage kunsten van Adorno begon te verdwijnen, waardoor de kunsten en cultuur dichter bij elkaar kwam te liggen. Deze dynamiek van de culturele ontwikkeling zorgt ervoor dat de artistieke avant-gardistische stromingen hun autonomie en onaantastbaarheid verliezen. Hoewel de insteek van de avant-garde altijd maatschappij vriendelijk was, zaten ze toch altijd op een vrij elitaire, hoge zetel boven het volk. Hier werden zij vanaf getrokken door de jongeren die aan alle geldende gezagsverhoudingen begonnen te trekken en hierdoor zelf in het centrum van culturele belangstelling kwamen te staan. Culturele en artistieke genres uit de ‘lagere’ cultuur verwierven grote status; er vond een informalisering plaats in de kunst.

In tegenstelling tot wat Adorno vreesde, heeft de massacultuur niet geleidt tot een passieve consumptiegerichte cultuur, maar tot een chaotisch versnipperde cultuur; cultureel pluralisme.

Het verschil tussen hoge en lage cultuur was volledig geërodeerd. Dit leidde tot een esthetisering van het dagelijks leven; kunst was design geworden. Mensen probeerden zich niet langer van elkaar te onderscheiden door zich aan te sluiten bij een artistieke stroming of stijl, maar door de esthetische vormgeving van hun alledaagse leefomgeving. Net zoals de bohème leefde naar hun beroep, adopteerde men in de jaren zestig een volledige levensstijl.

Creative Class

De bohème en de avant-garde hebben een cruciale rol gespeeld in de veranderende rol van de kunst in onze maatschappij. Zij hebben de kunst losgetrokken uit de vroegere elitaire burgerij en toegankelijk gemaakt voor iedereen om te beoefenen of er simpelweg van te genieten. Niet alleen

is de kunst (en bijbehorende cultuur) de maatschappij ingetrokken, maar ook de economische markt opgegaan. De injectie van kunst en cultuur heeft geleidt tot een kolossale groep van creatieve personen in onze (economische) maatschappij: the Creative Class. Richard Florida ziet in deze sociale klasse een nieuwe fundamentele economische kracht. Zij hebben niet alleen een creatief leven, maar ook een creatief beroep. De diverse en individualistische levensstijl van de Creative Class brengt actieve participatie met zich mee in Street Level Culture. Florida gebruikt deze term om een straatcultuur te omschrijven waar het onderscheid tussen deelnemer en waarnemers moeilijk waar te nemen is. Hiermee wordt bedoeld dat er geen verschil is tussen bijvoorbeeld de klanten en de eigenaar van een winkel of café of, zoals Florida het zelf omschrijft, “between creativity and its creators”. Leden van de Creative Class hebben een gemeenschappelijke interesse om zelf deel uit te maken van een actieve groep (participeren), in plaats van er alleen maar naar te kijken (observeren) of er enkel gebruik van te maken (consumeren). De Creative Class heeft dus een grote invloed op haar omgeving.

Early adopters

In het begin van dit essay werd de vraag gesteld wie de creatievelingen zijn die zorgen voor gentrificatie. Wie zijn de early adopters die een wijk ‘kickstarten'? Zoals nu al misschien wel duidelijk is, moeten we naar de Creative Class kijken voor een antwoord op deze vraag. Volgens Florida zoekt de Creative Class naar drie dingen in hun zoektocht naar een leefomgeving. Talent (getalenteerde en opgeleide populatie zoals zijzelf), Tolerantie (een diverse gemeenschap, zowel in cultuur als in etniciteit) en Technologie (een goede technologische infrastructuur is nodig om een ondernemende cultuur te stichten). Als één Creative Class-schaap over de dam is, zal de rest dus snel volgen.

Kritische noot

Zoals al eerder genoemd wordt heeft gentrificatie een negatieve toon gekregen en wordt de Creative Class hierop aangekeken als aanstichters. Dit is echter niet helemaal terecht.

De bovengenoemde benodigde infrastructuur vormt namelijk een cruciale factor in het wél of niet gentrificeren van een wijk. Men moet de Creative Class namelijk niet verwarren of vergelijken met de krakersgemeenschap. Zij zullen zich pas vestigen in een nieuwe wijk als die een goede fundering heeft voor ontwikkeling; een belangrijke factor hierin is de bereikbaarheid en verbinding vanuit de rest van de stad. Een goed netwerk van openbaar vervoer kan een doorslaggevende rol spelen in het wel of niet ontwikkelen van een wijk. Hoewel de Creative Class dus de early adopters zijn die een wijk kunnen opbouwen, is de overheid en de politiek verantwoordelijk voor het leggen van de fundering.

Bronnen

Websites:

Grant, Benjamin (2003), What is Gentrification?, Geraadpleegd op 28-10-2015, http://www.pbs.org/pov/flagwars/special_gentrification.php

Florida, Richard (2012), The Rise of the Creative Class, Revisited, Geraadpleegd op 20-10-2015,

http://www.citylab.com/work/2012/06/rise-creative-class-revisited/2220/

Florida, Richard (2015), The Complicated Link Between Gentrification and Displacement, Geraadpleegd op 28-10-2015, http://www.citylab.com/housing/2015/09/the-complicated-link-between-gentrification-and-displacement/404161/

Florida, Richard (2015), Is Your Neighborhood Changing? It Might Be Youthification, Not Gentrification, Geraadpleegd op 28-10-2015, http://www.citylab.com/housing/2015/02/is-your-neighborhood-changing-it-might-be-youthification-not-gentrification/385193/

Florida, Richard (2015), The Role of Public Investment in Gentrification, Geraadpleegd op 28-10-2015,

http://www.citylab.com/housing/2015/09/the-role-of-public-investment-in-gentrification/403324/

Boeken:

Boomkens, René (2011). Erfenissen van de verlichting. Boom, Amsterdam

Florida, Richard (2002). The Rise of the Creative Class. The Perseus Books Group, New York City

Doorman, Maarten (2000). Steeds mooier. Over geschiedenis en zin van vooruitgangsideeën in de kunst. Ooievaar, Amsterdam