Form vs Function / Paul Breteler

Form vs Function: the final stage of the battle

Historische context

In 1927 werd de vereniging ‘De 8’  opgericht door een groep jonge architecten. Allen waren opgeleid in de sfeer van de Amsterdamse School. Zij zetten zich af tegen hun opleiding en schreven hun oprichtingsmanifest ‘De 8’. In dit manifest beschreven ze in 19 zinnen waar zij voor stonden en gaven daarmee directe kritiek op hun voorgangers. Ze waren klaar met de esthetische stijlkenmerken die puur voor het uiterlijk geplaatst werden. Zij verklaarden dat ‘het beter was om op voorhand leelijk te bouwen en doelmatig dan ‘parade-architectuur’ op te trekken voor slechte plattegronden’. Zij verkozen dus duidelijk functie boven vorm. Hoewel hun standpunten in de loop der jaren op sommige punten wat afzwakten of juist sterker werden, mede dankzij ‘Opbouw’ uit Rotterdam, zijn ze altijd uitgegaan van een dienende architectuur waar het uiterlijk puur volgt uit de gewenste bouwtechnieken en de functionele aspecten.

Vorm en functie; de oneliners.

De 8 kon zich dus aansluiten bij de quote van Louis Sullivan uit 1896 “Form (ever) follows function”. Hij stelde dit vast in de natuur en paste het toe in de architectuur. Met deze houding gooide Sullivan de klassieke stijlen overboord (die ingericht waren op form follows precedent) en opende hij de weg voor een nieuwe ontwerpvrijheid.

Natuurlijk waren er tegenhangers en de oneliner “Function follows form” was al snel geboren.

In de jaren ’30 voerde de modernisten echter de boventoon en “form follows function” werd een lijfspreuk voor een gehele generatie architecten waaronder Frank Lloyd Wright en Adolf Loos.

Tabula Rasa     

Na de tweede wereldoorlog werd alles anders. Onder leiding van de Futuristen werd gezocht naar een nieuwe cultuur en een nieuwe toekomst. De oorlog vormde een gigantische (culturele) crisis, niet alleen op architectonisch vlak, en men wilde de horreur zo snel mogelijk vergeten. Er kwam een breuk met het verleden en nieuwe cultuur werd gezocht in de combinatie van kunst en techniek. Dit leidde tot nieuwe architectonische stromen zoals het constructivisme van de jaren 60, het structuralisme (’60-’70) en de hightech (’70-’90). Aan het einde van de 20e eeuw kwam er een tegenbeweging in de vorm van het deconstructivisme. Architecten zoals Koolhaas en Hadid maakten ontwerpen die op het oog technisch niet mogelijk waren, maar door de vooruitgang in technologie wel gebouwd konden worden. Waar zij in het begin nog experimenteerden met de uitgangspunten en mogelijkheden van hun technisch ingestelde voorgangers, begonnen ze aan het begin van de 21e eeuw het beeld wat zij met hun experimenten bereikten belangrijker te vinden. “The international style” was geboren; een stijl waarin het beeld van het gebouw belangrijker is dan de functie en de context. Architecten werden de nieuwe rocksterren (‘starchitects’). De opkomst van de nieuwe media versterkte het belang van het beeld. Een gebouw werd over de hele wereld bekend als het maar mooi op een plaatje stond. “Function follows form” vierde hoogtij.

Après-crisis generatie

Door de bouwcrisis van 2008 heeft het beroepsveld zichzelf moeten herpakken. Dit gebeurde door eens kritisch naar elkaar en naar het beroep te kijken. Megalomane projecten, zoals de CCTV toren van OMA, konden niet meer door de beugel. Een gebouw dat zo slecht in zijn omgeving staat, dermate duur was en met als enige doel om op te vallen met zijn uiterlijk kan niet meer als goede architectuur worden gezien. Fuck context is niet meer denkbaar.

Als De 8 nu, bijna 90 jaar later, met hun manifest zou uitkomen zouden ze actueel zijn. Je zou dan ook een nieuwe rebellie verwachten na zo’n heftige tijd, met als grote boemannen de starchitects.

De huidige generatie moet zich opbouwen vanuit het puin dat de vorige generatie heeft achtergelaten, maar gek genoeg worden ‘starchitects’ niet verguist. Is dit een soort van fetisjisme? Een soort jaloezie? Of toch een waardering voor de architectonische vrijheid die zij zich verworven hebben?

Niet alleen het beroepsveld, maar ook de opdrachtgevers zijn kritischer geworden. Ze willen niet alleen een plaatje van een beroemde naam, maar een goed werkend gebouw. Deze vraag vanuit zowel het bredere publiek als het beroepsveld heeft ertoe geleid dat architecten zich richten op integraal ontwerp. Niet puur vanuit functie, niet puur vanuit een beeld, maar een goede combinatie van materiaal, omgeving, gebruiker en een zorgvuldig vormgegeven vorm die daaruit voorkomt.

Deze integrale aanpak zorgt in principe voor beter doordachte architectuur, maar het heeft ook nadelen. De integraliteit zorgt er voor dat alles verbonden is met elkaar. Alles moet dus te verklaren zijn. “Dit zit er om dat”, oftewel ‘de verklarende wijze’. Bij elke ontwerpkeuze is er dus verantwoording nodig naar zowel de opdrachtgever, het publiek en vakgenoten. In die zin vallen we toch weer terug in form follows functions en is de cirkel rond. Het verschil is echter dat dit niet vanuit een ideaal gebeurt, maar vanuit een zelfverdediging.

De schroom voor schoonheid

Onze oervader, Vitruvius, beschreef in ‘De Architectura libri decem’ de drie basiswaarden van architectuur: firmitas, utilitas en venustas. Deze drie basiswaarden zijn opzichzelfstaande waarden die even belangrijk zijn. Het zijn de pijlers die een gebouw dragen, zonder één van deze pijlers stort het gebouw in. Helaas zijn wij deze belangrijke les vergeten. In de hedendaagse architectuur bestaan er geen drie pijlers meer, maar rust een ontwerp op een misvormde driehoek. Een driehoek ontstaan vanuit het forceren van de basiswaarden tot een nieuwe ‘basis’ met de schoonheid als ondergewaardeerd kindje.

De verklarende wijze, die schoonheid niet meer de ruimte geeft om op zichzelf te staan, is slecht voor zowel het beroepenveld als de architectuur zelf. Men is bang voor schoonheid. Het is subjectief en subjectiviteit is eng. Subjectiviteit geeft het grote publiek de ruimte om het niet eens te zijn met het ontwerp of het zelfs af te keuren. ‘Starchitects’ zijn het volgende slachtoffer. Doch gewild en groot geworden door hun fantastische ontwerptaal, durven ook zij niet meer hun ontwerp te laten spreken. Ook zij zijn gedwongen om redenen te zoeken waarmee ze hun architectuur kunnen verkopen, verklaren en uitleggen. Begrip creëert echter geen schoonheid. Schoonheid is, in de woorden van Immanuel Kant: “Dat wat zonder begrip algemeen bevalt”. Zij komen niet meer uit voor de schoonheid van hun kunstvorm: het gebouw. Hiermee zetten ze een slecht voorbeeld neer voor het publiek en hun mede-architecten. Door de gevraagde verantwoording die zij (moeten) presenteren verliezen zij niet alleen hun afkomst, maar ook hun bestaansrecht. Zij hebben hun ontwerpvrijheid verloren.

‘Form follows function’ en ‘Function follows form’ staan in de geschiedenisboeken als twee opponenten. Dit is echter een enorme misinterpretatie. Als we goed terugkijken zien we dat de discussie nooit is gegaan over welke van de twee belangrijker is, maar over ontwerpvrijheid. De vrijheid om autonoom te ontwerpen. De eeuwige discussie tussen function en form als tegenstanders is dus beperkend en zelfs vernietigend voor ons beroepsveld. Form en Function zijn op zichzelf staande middelen die samen kunnen leiden tot de ultieme ontwerpvrijheid en  soevereine schoonheid.